Slowaakse Literatuur

Romantiek

De officiële Slowaakse schrijftaal is pas in 1843 ontstaan. De veelzijdige wetenschapper Ľudovít Štúr vond in Midden-Slowakije een Slowaaks dialect dat hij op papier stelde, waarmee de codificatie van de taal een feit werd. Tot dan toe bestond de Slowaakse taal op schrift uit een op het Tsjechisch lijkend dialect. Men kan uiteraard ook Slowaakse schrijvers tot de Slowaakse literatuur rekenen die tot halverwege de 19de eeuw in het Hongaars, Duits of Latijn schreven, de talen van respectievelijk de adel, burgerij en de geestelijkheid. Maar door onderwijs voor de gewone man en opkomst van een Slowaakse burgerij werd een Slowaakse schrijftaal steeds noodzakelijker. De officiële schrijftaal viel samen met de tijd van de romantiek waarvan de dichters Janko Kráľ (1822-1876) en Samo Chalupka (1812-1883) de grootste vertegenwoordigers waren.

Een typische vertegenwoordiger van de 19de eeuwse Slowaakse romantiek is Pavol Dobšinský (1828-1885). Hij reisde het land door en luisterde naar sterke verhalen van mensen in de dorpen en in de bergen. Hij schreef ze vrijwel precies zo op als hij ze hoorde, in de dialecten die de mensen spraken. Deze sprookjes zijn later ook in het Nederlands vertaald maar helaas niet meer verkrijgbaar (Pavol Dobšinský, Sprookjes uit Slowakije). Opvallend is dat sommige sprookjes gelijkenissen vertonen met bekende sprookjes uit onze jeugd, zoals Hans en Grietje, die in Slowakije Janko en Marienka heten.

Realisme

Een van de grootste standbeelden in Bratislava is voor Pavol Országh Hviezdoslav (1849-1921), de realistische dichter van volksepossen over het tragische en heldhaftige verleden van de Slowaken. De taal die hij gebruikt is literair verheven, niet de taal van het volk. De toon van zijn wat verlate tijdgenoten als de dichters Janko Jesenský (1874-1945) en Jozef Gregor Tajovský (1874-1940) is vaak pessimistisch. De Slowaken bevonden zich tijdens de Dubbelmonarchie van het einde van de 19de eeuw tot 1918 in een uitzichtloze positie onder de Hongaren, die streefden naar volledige assimilatie van hun onderdanen. De schrijver Martin Kukučín (1860-1928) illustreert hoezeer de intellectuele Slowaak in die tijd rusteloos was op zoek naar een plek om te blijven omdat hij moeilijk kon scheppen in eigen land. Kukučín ging naar school in Hongarije, studeerde in Bohemen, en leefde in Kroatië en vooral in Argentinië en Chili, waar hij onder meer werkte als arts in de zuidelijkst gelegen plaats Punta Arenas.

Moderne literatuur

In Tsjechoslowakije, dat in 1918 ontstond, konden Slowaakse schrijvers eindelijk vrij publiceren. Tot 1948 werden Westerse literaire stromingen gevolgd van een lyrisch expressionisme in de jaren 20, sociaalkritisch realisme eind jaren 20 tot surrealisme in de jaren 30 en 40. De bekendste vertegenwoordiger van de eerstgenoemde stroming is Jozef Cíger Hronský (1896-1960) wiens roman uit 1933 Jozef Mak nota bene in 1945 in het Nederlands werd vertaald door niemand minder dan J. van Oudshoorn als De schamele vreugden van Josef Mak.

De jaren 1948 tot 1989 waren verstikkend voor iedere vrije kunstuiting in Tsjechoslowakije, met een kleine opleving van vrijheid rond de Praagse Lente in 1968. Door de communistische partij werd bepaald wat wel en wat geen kunst was. Kunst was wat de nieuwe mens steunde in zijn strijd op weg naar het arbeidersparadijs. De hoofdstroming in die jaren heette het socialistisch realisme. Iedere abstractie of verbeelding was taboe, kunst moest in de eerste plaats leesbaar zijn voor de gewone man en de partij dienen. Parallel ontstond er een samizdat, illegaal uitgegeven en verspreide literatuur in Tsjechoslowakije en in de overige Oostbloklanden. Sommige schrijvers verkozen de emigratie boven het schrijven voor in de la. Andere schrijvers conformeerde zich geheel aan de partijlijn, om vervolgens in de jaren 60 zich daartegen te richten en zich vrij te uiten. De bekendste Slowaakse schrijver van deze laatste groep is Ladislav Mňačko (1919-1994) van wie onder andere de roman De smaak van de macht in 1967 in het Nederlands werd vertaald en een analyse is van totalitaire macht en zijn invloed op de mens.

De twee beroemdste Slowaakse dissidentenschrijvers zijn Dominik Tatarka (1913-1989) en Milan Šimečka (1930-1990), van wie de eerstgenoemde net een paar maanden voor de bevrijding in november 1989 overleed, en de tweede de bevrijding nog net meemaakte. Beiden waren ondertekenaars van Charta 77, de dissidentenbeweging van wie Václav Havel (1936) een van de initiatiefnemers was. Beiden protesteerden openlijk tegen de inval van het Warschaupact onder leiding van de Sovjet-Unie die een einde maakte aan de Praagse Lente. En beiden moesten daarvoor boeten, hun werk verdween uit boekhandels en bibliotheken alsof het nooit had bestaan, hun namen werden uit de literatuurgeschiedenis verbannen. Van Tatarka, een lyrisch, haast magisch realistisch schrijver verschenen boeken in Franse vertaling. Šimečka was een essayist die zich uitliet over maatschappelijke problemen. Van hem verscheen in 1991 in Nederlandse vertaling een dagboek dat hij bijhield van 1987 tot 1989, Het einde van de stilstand.

Onder de bekende en goede schrijvers die het geluk hadden de vrijheid van na 1989 mee te maken, kunnen we noemen Peter Karvaš (1920-1999), Ján Johanides (1934-2008) en Pavel Vilikovský (1941). Van hen zijn werken veelal in het Duits vertaald. Onder jonge schrijvers van na de revolutie worden Peter Pišťanek (1960) en Michal Hvorecký (1976) veel gelezen. Door het moeilijke, vaak troebele verleden en heden van Slowakije, nemen de intellectueel en kunstenaar vaak ook een maatschappelijke positie in en publiceren ze regelmatig hun visie en kritieken op het verleden en veranderingen van het heden.

De Hongaarse en Slowaakse geschiedenis waren tot 1918 heel sterk met elkaar verweven, veel meer dan de Tsjechische en Slowaakse. De bevolking van Slowakije bestaat uit ongeveer 10% Hongaren, van wie de schrijvers veelal publiceren in het Hongaars en het Slowaaks. De in het Nederlandse taalgebied misschien wel meest gelezen en vertaalde Hongaarse romanschrijver is geboren in Košice, de tweede stad van het land en dit jaar Europese culturele hoofdstad: Sándor Márai (1900-1989). Márai ging er naar school, maar verhuisde naar Boedapest toen Košice in 1918 tot Tsjechoslowakije ging behoren. Zijn autobiografische roman Bekentenissen van een burger is een ode aan het multiculturele Kosice van voor 1918.

Leave a Reply

*

captcha *